dinsdag 12 februari 2008

Nooi meer Valentijn (*deel 1)

Er staan bloeiende krokussen tussen de graspollen, vlak voor haar voeten. Ze schuift met haar gympies onrustig en doelloos heen en weer. Alsof ze door een onzichtbare muur is heen gebroken, is ze hier gaan zitten. In gedachten verzonken is ze hier op dit parkbankje beland en staart in het niets. Het bleke voorjaarszonnetje ziet kans om hier en daar achter de bewegende wolken vandaan te komen. De lente komt eraan en het knarst haast in alle voegen. De ontluikende knoppen aan de uiteinden van de boomtakken willen bijna openspringen. Hier en daar is het jonge groen als een zweem zichtbaar. Een half uurtje geleden is ze hier gaan zitten, maar de wandelaars in het park merkt ze niet op. Ook het geluid van de tsjilpende vogels, die voor haar heen en weer trippelen over de grond, signaleert ze nauwelijks. De mussen en koolmeesjes proberen met hun snavel tussen de grassprieten te pikken om een wormpje te verschalken. Het is nog maar een paar graden boven nul, maar de natuur komt tot leven. Vanmorgen had ze een kop rooibosthee genomen met een paar crackers. Ja, die kop lauwwarme thee was de enige warmte die ze nog voelde. Ze had haar bruine tweedjas van de kapstok gehaald en het pakje, een kleine enveloppe, in haar tasje gedaan. Ja, ze had er lang over nagedacht. Toen was ze van huis vertrokken en de deur viel achter haar in het slot. Ze had nog èèn keer vlug achterom gekeken. Langzaam was ze het smalle wandelpaadje langs de Buitensingel opgelopen. Schijnbaar doelloos, naar een grote onbestemde leegte. De prachtig aangelegde perken met de ontluikende rhododendrons en de smalle coniferen had ze niet gezien. Nu zat ze hier even, schijnbaar rustig, op een versleten bankje aan de rand van de vijver. Het uitgestrekte water had een vlak rimpelloos oppervlak. Daar was het kalm. Maar van binnen voelde ze èèn grote draaikolk, een onstuimige massa die maar niet tot bedaren wil komen. Haar ogen zijn betraand en alles om haar heen lijkt een vage groene waas. Ze houdt haar hoofd schuin naar beneden. Ze weet intuïtief dat haar mascara is uitgelopen. Niemand hoeft haar bleke, betraande gezicht te zien. Al wekenlang kwamen de schreeuwende reclames met de felrode letters haar wereld binnen. Ze kon geen krant of tijdschrift openslaan of daar waren ze weer: de indringende woorden, mooie wervende teksten rondom maar één woord: Valentijn. Op de televisie, tussen de programma's door, kwamen de wervingsteksten van de reclames steeds weer op haar af. Ze had de tv uitgezet. Ze kon er niet meer tegen. Voor haar was er geen Valentijn. Nu niet en misschien nooit meer. Vriendschap, liefde en geluk, daar draaide het om. Het was niet waar, het was onmogelijk. Marian voelde maar één ding: een groot zwaar ijsblok bovenop haar schouders, dat langzaam maar zeker helemaal bezit van haar zou nemen. Het gewicht daarvan drukte haar naar beneden en de koude temperatuur drong steeds verder bij haar naar binnen. De eerste stralen van de voorjaarszon konden het klamme koude gevoel niet van haar wegnemen. Ze dook wat verder in haar donkerbruine jas en trok haar zwarte sjaal nog wat steviger aan.

Het enige dat ze zag was een film, een lange trage film, die beeldje voor beeldje indringend haar netvlies opeiste. De beelden kwamen één voor éen voorbij en bleven een paar seconden staan. Ze dacht terug aan vorig jaar, Valentijnsdag. Ze weet nog goed hoe ze vol spanning die grote enveloppe openmaakte, voorzichtig op de rand van haar bed ging zitten en de kaart eruit schoof. Wat was ze blij geweest. Ze herinnert het zich nog als de dag van gisteren. Met trillende handen en vlinders in haar buik had ze de paarse kaart eruit geschoven. Hij kon maar van èèn iemand komen en een warme stroom gelukkige gevoelens kwamen toen als vanzelf onderuit haar buik omhoog.. 'Allerliefste Marian, ik hou van jou 4ever. Je Casper.' Het zilveren kettinkje met het kleine hartje was toen uit de dubbelgevouwen kaart op de grond gevallen. Ze had het opgeraapt en ze hing het sierraad toen meteen om haar nek. Ze straalde helemaal en was verguld met het kostbare kleinood. Overhaast was ze de trap naar beneden afgehold en ze had gezegd: 'Kijk eens mam, van Casper. Ja, forever. Dat 'forever' bleek korter dan ze dacht. Het begon het jaar daarvoor, tijdens de vakantie in Blanes. Samen met Lydia, haar hartsvriendin, was ze tien dagen met zo'n touringcarbus meegeweest, naar de zon, naar de warmte, naar het plezier. Daar was haar toekomst begonnen. Op de tweede dag in de middag was ze hem tegengekomen. Hij stond plotseling voor haar, onder de parasol op het strand. Zijn stoere bruine lijf en zijn ontwapende blik hadden haar als een magneet naar hem toegetrokken. Hij was bij Lydia en haar komen zitten en ze waren samen gaan zwemmen in het prachtige blauwe water. Ja, het was toen ontzettend gezellig op het terrasje 's avonds en ze had heerlijk met hem gedanst. Hij bleek geen branieschopper en had echte belangstelling voor haar. Ja, ze was verliefd op hem geworden. Het waren heerlijke dagen en een week na de vakantie, terug in Nederland, was hij haar thuis komen opzoeken. Mams vond hem ook een aardige, voorkomende jongen. Zijn innemende persoonlijkheid en warme uitstraling ontlokten sympathie. Hij leek minder bruin dan aan de Spaanse Costa, maar zijn stralende lach was er nog steeds. Toen leerde ze hem nog beter kennen. Het was een doldwaze en bruisende periode, ook in die lange nazomer. Weekend aan weekend brachten ze samen door. Samen stappen, samen dansen in de discotheek, samen winkelen, uit eten en op terrasjes zitten. Haar vriendinnen vonden hem ook een echte bink. Ze weet nog goed dat hij haar meenam, achterop de motor, naar dat stille plekje, waar ze elkaar gezoend hadden en schaterlachend door het gras en het zand rolden, helemaal tot aan de voet van het duin. Urenlang hadden ze daar zwijgzaam gezeten, tot aan de zonsondergang. Ze hadden intens genoten van alle momenten. Ze was gelukkig, met zijn arm om haar schouders. Zijn wang tegen haar wang. Het leek een eeuwigheid. Rond Kerst waren ze op wintersport geweest en ze voelde nog zijn stevige handen, toen hij haar uit de sneeuw omhoog trok, nadat ze onderuit gegaan was op de skies. Het beeld bleef even staan. De herinnering stond nog onveranderd in haar geheugen. Ja, wat was hij sterk en liefdevol. Tot die zaterdag in maart. Ze zag hem toen opeens in de binnenstad lopen met die ander. Die zwarte, donkere meid, die snol. Hij had zijn arm om haar heengeslagen. Zijn arm, die zo liefdevol om haar schouders had gelegen. Dat kon niet waar zijn, ze had het zich ingebeeld. De vrijdag daarna had hij verlegen gelachen en gezegd: 'Nee, schatje, dat heb je helemaal mis. Dat was een kennisje, die ik toevallig tegenkwam, ik houd van jou, dat weet je toch. Het was een leugen geweest, èèn grote leugen, een nachtmerrie. Ze had het eerst niet geloofd. Dat kon niet waar zijn, hij hield van haar, Marian, voor altijd. Ja dat moest. Dat had hij beloofd. Eerst had ze hem nog het voordeel van de twijfel gegeven. Totdat hij zich steeds merkwaardiger begon te gedragen. Zijn spontane lach was verdwenen en dat weekend daarna was ze alleen gebleven, vol met vragen. Tot het moment van de keiharde definitieve breuk, die woensdag daarna. 'Ik houd van een ander, van Brigit'. Die woorden wilde ze niet horen, dat wilde ze niet geloven. Het was of de grond onder haar voeten was weggezakt. Ze was resoluut van hem weggerend. Ze had zich opgesloten in haar kamer en ze had gehuild, met haar vuisten op haar hoofdkussen geslagen. Er was iets stuk. Waarom? Waarom? Ja, waarom? had ze eindeloos geroepen, maar geen antwoord gekregen. Hij had het haar toch beloofd? Forever. Maar nu was het voorbij. Nee, nee...

Marian voelde in haar rechterjaszak en ze trok het lichtblauwe zakdoekje met het bloem-motief met haar wijs- en middelvinger naar boven. Ze veegde een traan weg uit haar rechterooghoek. Valentijn. Nee, voor haar was het geen Valentijn. Ze had haar liefde weggegeven en nu was het meegegaan, weggewaaid naar een grote leegte. Ruim tien maanden waren nu voorbij gegaan. Niemand die nog van haar zou houden. Ze pakte de sluiting van het tasje naast haar. Zou ze het doen? Ze keek nog even om zich heen in het park. Het was rustig en het oudere echtpaar dat in de verte verdween, had haar vast niet opgemerkt. Ze keek naar het grijze rimpelloze water van de vijver voor haar... Nu moest het gebeuren. Ze kon het niet meer uitstellen. De laatste paar maanden had ze er steeds over nagedacht. Het was de enige oplossing. Traag stond ze op van het bankje en liep met enkele passen naar voren. Het ijsblok op haar schouders leek haar nog verder naar beneden te drukken. Even bleef ze staan en liet alle beelden nog even aan zich voorbij gaan. Ze staat weer in de sneeuw en haar voeten zijn ijskoud. Geen sterke handen meer die haar omhoog willen trekken. Het geluid om haar heen leek te vervagen. De groene waas voor haar ogen werd nog troebeler. Nee, haar Valentijn is voorbij. Opeens, vanuit haar ooghoek, ziet ze iets bewegen. Er staat iemand achter haar... ze hoort heel zacht haar naam. Marian...?

lees verder in  deel 2

©Matthijs, 12 februari 2008
Ik vind het fijn als je een reactie achterlaat.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten